Werkgever spreekt finale kwijting af met frauderende werknemer: wat nu?

Soms komen werkgever en werknemer samen tot de conclusie dat de samenwerking niet meer goed verloopt. Vaak kiest de werkgever er dan voor om de arbeidsovereenkomst te beëindigen middels wederzijds goedvinden. Dit gebeurt met een vaststellingsovereenkomst.  In zo’n overeenkomst spreken partijen vrijwel altijd af dat zij elkaar ‘over en weer finale kwijting’ verlenen. Maar wat houdt dit precies in, en wat als achteraf blijkt dat de werkgever tóch nog een vordering op de werknemer heeft?

Finale kwijting
Werkgever en werknemer spreken dus vaak af dat zij elkaar over en weer finale kwijting verlenen. Dit houdt in dat partijen afspreken dat alle verplichtingen die er nog zijn ten opzichte van elkaar, in de beëindigingsovereenkomst geregeld zijn en er verder dus geen vorderingen over en weer zijn. Het uitgangspunt is dan ook dat zowel werkgever als werknemer, na het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst, geen vorderingen tegen elkaar kunnen instellen. Het is daarom belangrijk dat beide partijen goed bedenken of zij nog vorderingen op elkaar hebben. Het gerechtshof Amsterdam liet zich onlangs uit over een dergelijke kwestie in een opzienbarende zaak.

Een vordering van meer dan twee miljoen
Het volgende speelde zich af. De werknemer was sinds 2001 in dienst bij Kenter, de werkgever. Op enig moment ontstond er wrijving tussen de werknemer en de algemeen directeur van Kenter. Naar aanleiding hiervan sloten partijen een vaststellingsovereenkomst. Hierin was onder andere opgenomen: “Tussen partijen is alles besproken en uitonderhandeld en er zijn geen verdere onderwerpen die partijen, al dan niet in de onderhandelingen naar voren gebracht door een van hen, buiten deze overeenkomst wensen te laten. Een en ander betekent dat partijen elkaar, behoudens voor zover het betreft de nakoming van de hiervoor in deze overeenkomst omschreven rechten en verplichtingen, finale kwijting verlenen”. Ook betaalde Kenter een beëindigingsvergoeding van € 55.000,- bruto.

Na het eindigen van de arbeidsovereenkomst deed een forensisch accountant intern onderzoek naar malversaties. Hierna deed Kenter aangifte tegen de werknemer van verduistering in dienstbetrekking en valsheid in geschrift. Het bleek namelijk dat de werknemer via twee constructies fraude pleegde. Hierdoor drukte de werknemer meer dan twee miljoen van Kenter achterover. Een strafrechtelijke procedure tegen de werknemer volgde.

Kenter startte zelf een rechtszaak om het achterovergedrukte bedrag en de betaalde beëindigingsvergoeding terug te ontvangen. De kantonrechter wees de vordering van Kenter toe. De werknemer ging vervolgens in hoger beroep.

Reikwijdte van het kwijtingsbeding
In hoger beroep voerde de werknemer aan dat op het moment van ondertekening van de vaststellingsovereenkomst er niet slechts sprake was van een arbeidsrechtelijk geschil, maar ook van onzekerheid over de vraag of de werknemer de voor ICT bestemde gelden op een juiste wijze besteedde. Dit omdat Kenter “vermoedens had dat er van alles niet klopte”. Omdat deze vermoedens er waren, viel het gefraudeerde bedrag volgens de werknemer onder het kwijtingsbeding. In dit beding stond immers dat alles was besproken en uitonderhandeld, aldus de werknemer.

Het hof veegde dit argument van tafel. De tekst van de vaststellingsovereenkomst gaf in deze zaak geen aanknopingspunt dat partijen de bedoeling hadden om een geschil over de (mogelijke) aansprakelijkheid van de werknemer wegens (een vermoeden van) fraude te voorkomen of te beëindigen. In de overeenkomst was namelijk opgenomen dat er sprake was van een verschil van inzicht, dat de arbeidsverhouding verstoord was geraakt en dat daarom de arbeidsovereenkomst beëindigd werd. Het geschil dat partijen beoogden te beëindigen had dus alleen hiermee te maken.

Het hof redeneerde verder dat een partij die in een vaststellingsovereenkomst aan haar wederpartij finale kwijting verleent en (daarmee) afstand doet van rechten, daarbij het oog heeft op rechten die betrekking hebben op het ontstane geschil, en niet op rechten en vorderingen waarvan zij het bestaan ten tijde van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst niet kende.

De werknemer stelde niet dat voor of tijdens het tekenen van de overeenkomst zijn frauduleuze gedragingen ter sprake waren gekomen tussen hem en Kenter. Het feit dat Kenter vermoedde dat er van alles niet klopte, betekende niet dat zij wist of vermoedde dat de werknemer fraude zou hebben gepleegd, laat staan in een omvang als waarvan sprake bleek te zijn. Kortom: onder de gegeven omstandigheden kon en mocht de werknemer niet het vertrouwen hebben dat Kenter met het kwijtingsbeding bereid was afstand te doen van haar vorderingsrechten met betrekking tot de door hem gepleegde fraude. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter.

Wat je hiervan kunt leren, is dat het heel belangrijk is hoe het kwijtingsbeding geformuleerd wordt. Als Kenter in dit geval wél fraude vermoedde, en hierover iets opnam in het kwijtingsbeding, oordeelde de rechter mogelijk wel dat het gefraudeerde bedrag viel onder het kwijtingsbeding. Let hier dus goed op!

Klik hier voor de uitspraak.

Wil jij een kwijtingsbeding laten checken? Ben je voornemens om het dienstverband met een werknemer te beëindigen? Of heb je vragen over dit artikel, of over andere juridische zaken? Neem dan contact met mij op per e-mail vaneeden@legalmatters.com of telefonisch 088 – 6288 388. Ik help je graag verder!

Charlotte van Eeden

Mis niets meer, ontvang wekelijks het laatste juridische nieuws!

‘Er blijft weinig van de eerste etage van de woning over’ voldoende waarschuwing

‘Er blijft weinig over van de eerste etage’: voldoende waarschuwing?

Door Babette van de Venne | maart 4, 2019

Bij het uitvoeren van aannemingswerkzaamheden kan schade ontstaan. De opdrachtgever stelt zich in zo’n geval vaak op het standpunt dat er sprake is van wanprestatie, en houdt de aannemer aansprakelijk voor de schade. Aansprakelijk zijn voor schade vindt niemand prettig en zeker niet als de schade groot is. Daarom proberen aannemers hun aansprakelijkheid vaak contractueel…

De Wet bescherming bedrijfsgeheimen een waardevolle toevoeging

De Wet bescherming bedrijfsgeheimen: een waardevolle toevoeging?

Door Babette van de Venne | januari 30, 2019

Anno 2019 is het geheimhouden van bedrijfsinformatie een stuk ingewikkelder en complexer dan voorheen. Werknemers stappen vaker over naar een andere werkgever of ze beginnen voor zichzelf. Het komt dan ook met enige regelmaat voor dat een (oud-)werknemer vertrouwelijke informatie kopieert en lekt aan die nieuwe werkgever of aan de concurrent. Daarnaast speelt de digitalisering…

Een bedrogen bruid

Een bedrogen bruid?

Door Meike Dobbelaar | februari 27, 2019

Wanneer partijen een overeenkomst aangaan, bestaan er over en weer verplichtingen. Voor een geldige overeenkomst moeten de wil en verklaring van beide partijen met elkaar overeenstemmen. Maar er kunnen zich situaties voordoen waarin je geen behoefte meer hebt aan de afspraken met de ander. Bijvoorbeeld wanneer blijkt dat een overeenkomst onder invloed van een zogenaamd…

De Wet Affectieschade 4 vragen en antwoorden

De Wet Affectieschade: 4 vragen en antwoorden

Door Meike Dobbelaar | januari 23, 2019

Affectieschade: wat is het eigenlijk? Affectieschade is de immateriële schade die iemand lijdt doordat een persoon – waarmee men een affectieve band heeft – door toedoen van een ander ernstig gewond raakt of overlijdt. Deze immateriële schade kan bestaan uit leed, verdriet of gederfde levensvreugde. Met ingang van 1 januari 2019 zijn de artikelen 6:107…